Een steenverdeling begint met de ruimte die je moet vullen en de kant van de steen die daarin ligt. De voeg neemt ook ruimte in. Teken daarom eerst de beginlijn, eindlijn en meetrichting.
Kop, strek en de bijbehorende maat
De kop is het korte zijvlak van de steen; de strek het lange zijvlak. Voor een herhalende rij koppen tel je kopbreedte en één stootvoeg op. Voor een rij strekken gebruik je steenlengte en één stootvoeg. Een kop van 100 mm plus een voeg van 10 mm geeft een koppenmaat van 110 mm.
Een losse rij bevat één tussenvoeg minder
Tien koppen van 100 mm met negen voegen van 10 mm zijn samen 1090 mm. Dat is 10 × 110 − 10. Deze min één voeg geldt voor een rij zonder eindvoegen. Een voeg links of rechts tel je apart op. De formule bepaalt niet vanzelf welke randvoegen jouw ontwerp nodig heeft.
10 × 100 + 9 × 10 = 1 090 mm
Terugrekenen vanuit een beschikbare breedte
Voor 1090 mm zonder eindvoegen en tien stenen van 100 mm blijft 1090 − 1000 = 90 mm over. Deel dit door negen tussenvoegen: 10 mm per voeg. Probeer een andere hele steenverdeling als de uitkomst niet past; verdeel een restmaat niet ongemerkt over te dunne passtukken.
Waarom een hanenkam anders verdeeld wordt
Bij een hanenkam lopen de lijnen vanuit het porringpunt. Daardoor is de breedte van een zaagstuk onder en boven verschillend. Bij een gebogen boog meet je bovendien langs de gekozen booglijn. Deel de rechte sparing daarom niet zomaar door een steenmaat. Gebruik de berekende stukmaten, voegen en gekozen verband van die vorm.