Dezelfde vorm kan meerdere namen hebben. Bovendien lijken sommige maten op elkaar terwijl je ze in een andere richting meet. Deze woorden helpen je de tekening, invoer en steenverdeling te lezen.
Onderdelen en maten van een baksteen
Kop: het korte zijvlak van de steen. Strek: het lange zijvlak. Steenlengte, breedte en hoogte: de drie maten van de hele steen. Steendiepte in een tekening: de richting door het metselwerk; die hangt af van hoe de steen ligt. Een ligger en een staander beschrijven de gekozen oriëntatie, niet een andere steensoort.
Voegen en herhaalmaten
Lintvoeg: de horizontale voeg tussen lagen. Stootvoeg: de voeg tussen stenen naast elkaar. Lagenmaat: steenhoogte plus een lintvoeg bij een herhalende laag. Koppenmaat: kopbreedte plus een stootvoeg bij een herhalende koppenrij. Steenverdeling: hoe hele en gezaagde stukken met hun voegen samen de beschikbare ruimte vullen.
Onderdelen van een boog
Sparing: de opening in het metselwerk. Overspanning: de rechte afstand tussen de aanzetten. Aanzet: waar de boog begint. Pijlhoogte: de hoogte van de binnenboog boven de aanzetlijn. Binnenboog en buitenboog: de begrenzingen van de boogring. Sluitsteen: een steen die de boog bovenin sluit. Porringpunt: het punt waarvanuit je de aangegeven boog of verdelingslijnen uitzet.
Vormnamen en de bijbehorende tekening
Een hanenkam heet ook hanekam of strek; een segmentboog ook steekboog. Een rondboog is halfrond, een spitsboog wordt ook gotische boog genoemd. Een korfboog gebruikt meerdere cirkeldelen, terwijl een ellipsboog een ellips volgt. Een Tudorboog heeft vier middelpunten. Boerenvlecht, gevelvlecht en vlechting duiden op het bijzondere metselwerk langs een gevelhelling. De gekoppelde vormpagina’s laten de verschillen zien.