Met een lagenmaat zet je steeds dezelfde hoogte af. Zo komen de horizontale voegen van je metselwerk op de juiste plaats. De steenhoogte en de voeg horen allebei bij die maat.
Steenhoogte plus één lintvoeg
Meet de hoogte van de steen die je gebruikt. Tel daar de gekozen horizontale voeg, de lintvoeg, bij op. Een steen van 50 mm met een voeg van 12 mm geeft een lagenmaat van 62 mm: dat is 6,2 cm. Werk tijdens het rekenen in één eenheid.
Waarom vijf lagen niet altijd vijf voegen hebben
Vijf herhalingen van 62 mm zijn 310 mm, inclusief vijf voegen. Een losse stapel van vijf stenen heeft tussen de stenen maar vier voegen: 5 × 50 + 4 × 12 = 298 mm. Een voeg onder of boven de stapel tel je apart mee. Bepaal dus eerst waar je meetlijn begint en eindigt.
5 × 50 + 4 × 12 = 298 mm
Een hoogte verdelen in hele lagen
Kies een heel aantal lagen en reken terug welke voeg daarbij past. Bij 620 mm voor tien herhalingen is de lagenmaat 620 ÷ 10 = 62 mm en de voeg 62 − 50 = 12 mm. Is de uitkomst ongeschikt, probeer een ander aantal lagen of pas de uitgangsmaat aan.
Lagenmaat bij hanenkam en boerenvlecht
De hoogte van een hanenkam kan aansluiten op de lagen naast de opening. Bij een boerenvlecht is de verticale lagenmaat iets anders dan de afstand langs de schuine lijn. Meet beide in de aangegeven richting; neem de schuine afstand niet over als verticale voegmaat. De gekozen verdeling kan een andere werkelijke maat opleveren dan je voorkeur.